Home Peri Rossi Index
Peri Rossi Index
De kunst van het verliezen

 
Het volgende verhaal is het titelverhaal van de bundel El museo de los esfuerzos inútiles, van Cristina Peri Rossi. Ik heb vertaald uit de derde druk, Barcelona 1989, bij Seix Barral. Het copyright op het verhaal berust bij de auteur.
 
 

Het museum der vergeefse moeiten

     Elke middag ga ik naar het Museum der Vergeefse Moeiten. Ik vraag om de catalogus en ga zitten aan de grote houten tafel. De bladzijden van het boek zijn slecht leesbaar geworden, maar ik houd ervan ze langzaam door te nemen, alsof ik de bladen van de tijd omsla. Nooit zie ik er iemand lezen, en het zal daarom zijn dat de bibliothecaresse me zoveel aandacht geeft. Omdat ik één van de weinige bezoekers ben, verwent ze me. Ze is ongetwijfeld bang haar baan te verliezen bij gebrek aan publiek. Voordat ik naar binnen ga kijk ik goed naar het bordje dat aan de glazen deur hangt en beschreven is in drukletters. Er staat: Openingstijden: 's Ochtends van 9 tot 14 uur. 's Middags van 17 tot 20 uur. Maandag gesloten. Ook al weet ik bijna altijd welke vergeefse moeite ik wil raadplegen, ik vraag toch om de catalogus om het meisje wat te doen te geven.
     'Welk jaar zoekt u?' vraagt ze me heel beleefd.
     'De catalogus van 1922,' antwoord ik, bijvoorbeeld.
     Even later verschijnt ze met een dik en in roodbruin leer gebonden boek en legt het op de tafel voor me neer. Ze is heel behulpzaam en als ze denkt dat er te weinig licht door het raam naar binnen valt, steekt ze zelf de bronzen lamp met groene kap aan en plaatst hem zo dat het licht valt op de bladzijden van het boek. Af en toe, als ik de catalogus teruggeef, maak ik een opmerking. Ik zeg haar, bijvoorbeeld:
     'Het jaar 1922 was een heel druk jaar. Veel mensen waren bezig met vergeefse moeiten. Hoeveel delen zijn er?'
     'Veertien,' antwoordt ze me kundig.
     En ik kijk naar een paar van de vergeefse moeiten van dat jaar, ik bekijk kinderen die probeerden te vliegen, mannen die hun uiterste best deden rijkdommen te verwerven, ingewikkelde machinerieën die nooit bleken te werken, en een heel aantal echtparen.
     'Het jaar 1975 was veel rijker,' zegt ze me een beetje bedroefd. 'We hebben nog niet al het materiaal onderzocht'.
     'De archivarissen zullen wel veel werk hebben,' denk ik hardop.
     'Zeker,' antwoordt zij, 'ze zijn net bij de letter C en er zijn al een paar delen gepubliceerd. De herhalingen niet meegerekend.'
     Het is opmerkelijk dat de vergeefse moeiten herhaald worden, maar die komen niet in de catalogus: ze zouden te veel ruimte in beslag nemen. Een man probeerde zeven keer te vliegen, met verschillende apparaten; een paar prostituees wilden ander werk vinden; een vrouw wilde een schilderij maken; iemand trachtte zijn vrees kwijt te raken; bijna allemaal wilden ze onsterfelijk zijn, of ze leefden alsof ze het waren.
     De bibliothecaresse verzekert dat maar een miniem deel van de vergeefse moeiten het museum haalt. In de eerste plaats omdat de overheid geld tekort komt en aankopen en uitwisselingen vrijwel onmogelijk zijn, net als het verbreiden van het werk van het museum in binnen- en buitenland; in de tweede plaats omdat de buitensporige hoeveelheid vergeefse moeite die dagelijks wordt gedaan zou vereisen dat vele mensen eraan werkten, zonder hoop op beloning of erkentelijkheid van het publiek. Wanhopend aan de officiële ondersteuning heeft men soms een beroep gedaan op het particulier initiatief, maar de resultaten waren mager en ontmoedigend. Virginia - zo heet de aardige bibliothecaresse van het museum die vaak met me praat - verzekert me dat de particuliere bronnen waartoe men zijn toevlucht nam, steeds heel veeleisend bleken te zijn en weinig begripsvol, zodat de betekenis van het museum geen recht werd gedaan.
     Het gebouw is neergezet in een buitenwijk van de stad, op een kaal terrein, vol van katten en afval, waar je, maar een beetje onder het oppervlak van het terrein, nog kanonskogels van een oude oorlog kunt vinden, roestige sabelknoppen, of kaken van een ezel aangevreten door de tijd.
     'Hebt u misschien een sigaret,' vraagt Virginia me met een gebaar dat haar reikhalzen niet kan verbergen.
     Ik zoek in mijn zakken. Ik vind een oude, wat beschadigde sleutel; de afgebroken punt van een schroevendraaier, het retourkaartje van de bus, een knoop van mijn hemd, een paar muntjes en, tenslotte, twee verfrommelde sigaretten. Ze rookt heimelijk, verborgen tussen de dikke delen met afschilferend leer; de klok die aan de muur altijd verkeerd loopt, meestal achter, en het oude lijstwerk vol van stof. Men denkt dat er waar nu het museum staat, vroeger een fort was, in tijden van oorlog. Er is gebruik gemaakt van de grote stenen van het fundament, van een paar balken, de muren werden gestut. Het museum werd geopend in 1946. Er zijn nog een paar foto's van de plechtigheid, met mannen in frak en dames in lange, donkere jurken, met doeken en hoeden met vogels of bloemen. In de verte is een orkest zichtbaar dat salonmuziek speelt; de genodigden zien er ergens tussen plechtig en belachelijk uit als ze met het officiële lint om een pasteitje aansnijden.
     Ik ben vergeten te zeggen dat Virginia een beetje scheel is. Dit kleine gebrek geeft aan haar gezicht een grappige trek waardoor het minder onschuldig wordt. Alsof de afdwaling van de blik een geestig commentaar is dat zweeft, losgeraakt van de omgeving.
     De vergeefse moeiten worden geordend in letters. Als de letters op zijn, worden getallen toegevoegd. De berekening is uitgebreid en ingewikkeld. Elk heeft zijn sorteerkast, zijn folioblad, zijn beschrijving. Zoals ze waardig en behendig heen en weer loopt tussen de vakken lijkt Virginia een priesteres, de maagd van een oude en van de tijd losgeraakte cultus.
     Sommige vergeefse moeiten zijn mooi; andere zijn droevig. Over deze indeling worden we het niet altijd eens.
     Terwijl ik één van de delen doorbladerde, vond ik een man die tien jaar lang probeerde zijn hond te laten praten. En een andere, die meer dan twintig jaar besteedde in het verwerven van een vrouw. Hij bracht haar bloemen, planten, catalogi van vlinders, hij bood haar reizen aan, schreef gedichten, maakte liederen, bouwde een huis, vergaf haar al haar fouten, verdroeg haar geliefden en daarna pleegde hij zelfmoord.
     'Het was een zware onderneming,' zeg ik tot Virginia. 'Maar misschien wel stimulerend.'
     'Het is een droevig verhaal,' antwoordt Virginia. 'Het museum bezit een volledige beschrijving van deze vrouw. Het was een oppervlakkig schepsel, luidruchtig, grillig, lui en wrokkig. Haar ruimhartigheid liet veel te wensen over, en bovendien was ze een egoïste.
     Er zijn mannen die lange reizen hebben gemaakt, op jacht naar plaatsen die niet bestonden, onachterhaalbare herinneringen, vrouwen die waren overleden en verdwenen vrienden. Er zijn kinderen die vol enthousiasme een onmogelijke taak op zich namen. Zoals degenen die een put groeven die steeds weer volliep met water.
     In het museum is het verboden te roken en ook te zingen. Dit laatste verbod lijkt Virginia evenzeer te raken als het eerste.
     'Ik zou af en toe wel een liedje willen zingen,' bekent ze, nostalgisch.
     Mensen van wie de vergeefse moeite bestond in de poging hun stamboom uit te zoeken, of in het wroeten in een mijn op zoek naar goud, in het schrijven van een boek. Anderen hadden de hoop de loterij te winnen.
     'Geef mij maar de reizigers,' zegt Virginia.
     Hele afdelingen van het museum zijn aan deze reizen gewijd. We volgen ze op de bladzijden van de boeken. Na verloop van een tijd van zwerven over verschillende zeeën, het doortrekken van donkere bossen, het leren kennen van steden en markten, het oversteken van bruggen, het slapen in treinen of op de banken op het perron, vergeten ze wat het doel van de reis was, en toch reizen ze verder. Op een dag verdwijnen ze zonder een spoor of een herinnering achter te laten, slachtoffer van een overstroming, gegrepen in een voetgangerstunnel, of voor altijd ingeslapen in een portiek. Niemand claimt ze.
     Vroeger, vertelt Virginia, bestonden er enkele particuliere onderzoekers; liefhebbers die het museum van materiaal voorzagen. Ook ik kan me een periode herinneren waarin het mode was om vergeefse moeiten te verzamelen, zoals postzegels of mieren.
     'Ik denk dat de overvloed aan stukken de liefhebberij heeft genekt,' verklaart Virginia. 'Het is alleen maar prikkelend iets te zoeken wat schaars is, iets zeldzaams te vinden.'
     Destijds kwamen ze naar het museum uit verschillende plaatsen, vroegen om inlichtingen, raakten in één of ander geval geïnteresseerd, vertrokken met folders en kwamen terug, beladen met geschiedenissen die ze invulden op de formulieren, waar ze de bijbehorende foto's bijvoegden. Vergeefse moeiten die ze naar het museum brachten, zoals vlinders, of zeldzame insecten. Het verhaal van de man, bijvoorbeeld, die vijf jaar vocht om een oorlog te vermijden, tot de eerste mortiergranaat hem onthoofde. Of het verhaal van Lewis Carrol, die zijn hele leven op de vlucht was voor tochtjes en stierf aan een verkoudheid, de ene keer dat hij zijn regenjas vergat.
     Ik weet niet of ik al heb gezegd dat Virginia een beetje scheel is. Vaak vermaak ik me ermee de richting van die blik te volgen, waarvan ik niet weet waarheen hij gaat.
     Als ik haar de zaal zie doorkruisen, beladen met papieren, boekdelen, allerlei soorten documenten, kan ik niet anders dan opstaan van mijn stoel en haar gaan helpen.
     Soms klaagt ze een beetje onder het werk.
     'Ik ben het heen en weer lopen moe,' zegt ze. 'We zullen nooit alles kunnen ordenen. En dan de kranten nog. Ze staan vol met vergeefse moeiten.'
     Zoals de geschiedenis van de bokser die vijf maal probeerde zijn titel terug te krijgen, tot hij werd gediskwalificeerd vanwege een stoot op het oog. Ongetwijfeld zwerft hij nu van kroeg naar kroeg in één of andere smerige buurt, waar hij zich de tijd herinnert dat hij nog goed kon zien en dat zijn slagen dodelijk waren. Of het verhaal van de trapezewerker met hoogtevrees, die niet naar beneden kon kijken. Of dat van de dwerg die wilde groeien en stad en land afreisde op zoek naar een dokter die hem kon genezen.
     Als ze moe wordt van het versjouwen van boekdelen gaat ze zitten op een stoffige stapel oude kranten, rookt een sigaret - stiekem, omdat het verboden is - en denkt hardop.
     'Er moest nog iemand worden aangenomen,' zegt ze berustend.
     Of:
     'Ik weet niet wanneer ze me deze maand betalen.'
     Ik heb haar uitgenodigd voor een wandeling door de stad, om koffie te gaan drinken of naar de film te gaan. Maar ze wilde niet. Het enige waar ze in toestemt is met me te praten tussen de grijze en stoffige wanden van het museum.
     Als de tijd voorbijgaat, voel ik dat niet, omdat ik elke middag bezig gehouden word. Maar de maandagen zijn dagen van pijn en onthouding, waarop ik niet weet wat ik moet doen, hoe ik moet leven.
     Het museum sluit om acht uur 's avonds. Virginia zelf plaatst de eenvoudige metalen sleutel in het slot, zonder verdere voorzorgsmaatregelen, omdat niemand in het museum zou willen inbreken. Het is één keer gebeurd, vertelt Virginia, door een man met het plan zijn naam uit de catalogus te verwijderen. Als jongeman had hij vergeefse moeite gedaan en nu schaamde hij zich daarvoor en wilde niet dat er sporen van achterbleven.
     We hebben hem op tijd ontdekt, vertelt Virginia. Het was heel moeilijk hem er van af te brengen. Hij hield vol dat zijn moeite een privé-zaak was, en verlangde dat we hem die teruggaven. Ik ben bij deze gelegenheid standvastig en vastbesloten gebleven. Het was een zeldzaam stuk, bijna een verzamelaarartikel, en het museum zou een ernstig verlies hebben geleden als deze man zijn zin gekregen had.
     Als het museum sluit, verlaat ik het weemoedig. Aan het begin kwam de tijd die moest voorbijgaan tot de volgende dag me onverdraaglijk voor. Maar ik heb geleerd te wachten. Ik ben ook gewend geraakt aan de aanwezigheid van Virginia, en zonder haar lijkt me het bestaan van het museum onmogelijk. Ik weet dat ook de directeur er zo over denkt (hij, die van de foto, met de tweekleurige sjerp over de borst), omdat hij besloten heeft haar te bevorderen. Omdat er geen door de wet of door de gewoonte gelegitimeerde loopbaanstappen bestaan, heeft hij een nieuwe taak bedacht, die wel op hetzelfde neerkomt, maar nu een andere naam heeft. Hij heeft haar benoemd tot priesteres van de tempel, niet zonder haar te herinneren aan de heilige aard van haar opdracht: aan de poort van het museum de vergankelijke herinnering aan de levenden te bewaren.

 

Home Peri Rossi Index
Peri Rossi Index
De kunst van het verliezen